Pagina's

8.6.07

Nationale feestdag








Als ik opsta is het eigenlijk ongewoon stil voor zo’n grote stad. Pas een uur later kom ik er achter dat het 6 juni de Zweedse nationale feestdag is. Bij het koninklijk slot is een muziekkorps en er wordt een toespraak gehouden. Mijn Zweeds is niet van dien aard dat ik daar iets van mee gekregen heb.
Ik dwaal wat door straatjes van Gamle Stan. Dit oude deel van de stad heeft iets knus doordat het, behalve het slot, geen hele grote gebouwen en straten heeft. Bij de Duitse kerk staat "Fürchtet Gott!Ehret den König!" Én er is een Cornelis Vreeswijk museum. De troubadour, in Nederland bekend geworden door "De nozem en de non", is hier nog altijd erg populair.
Stockholm leeft met het water. Het is op 14 eilanden gebouwd. Vandaag is het opnieuw een prachtige dag en het lijkt wel of iedereen wil profiteren van de zon. Een enkeling heeft de omschakeling naar de zomer nog niet kunnen maken en loopt nog in kleding die mij het zweet doet uitbreken. Maar de meesten zijn zeer zomers gekleed. Ik kan me dat zo voorstellen, na een lange winter en in de wetenschap dat de zomer maar kort duurt op deze breedtegraad. Mensen lopen met Zweedse vlaggetjes. Een enkeling is gekleed in traditionele dracht. Een bebaarde Indiase maharasji in een feloranje tuniek en dito hoofddoek vormt een mooi accent. Alle terrassen zitten vol. In de parken wordt gepicknickt en een zonnebad genoten. Op het water is het een drukte van belang. Oude schepen die hun oorspronkelijke functie hebben verloren, liggen te deinen langs de kade. De functie van de betonnen schapen op Gotland wordt hier vervuld, hoe kan het ook anders in deze koningsstad, door leeuwen.
Het Museum voor Moderne kunst is gevestigd in een prachtig modern gebouw. Het heeft een internationale collectie met werk van bekende kunstenaars zoals, Matisse, Klee, Dali, Kichner, Duchamp en nog veel meer. Beneden is een druk bezochte tentoonstelling van Mamma Andersson. Het is eventjes genieten van cultuur in plaats van natuur.
De Wasahaven is de duurste tot nu toe. Maar daar staat tegenover dat ik daarvoor ook de wasmachine en de droger kan gebruiken, dat ik in het hart van de stad lig én, ik mag mijn PC aansluiten op het internet in het kantoor van de havenmeester.
Later ga ik naar het naast de haven gelegen Wasamuseum. Daar ligt een prachtig geconserveerd 300 jaar oud oorlogszeilschip dat in de jaren 50 en 60 bovenwater is gehaald. Het schip is 20 minuten, nadat het vertrokken was op haar eerste tocht, gekapseisd. Het was licht weer die dag en slechts 4 van 25 zeilen waren gehesen. Oorzaak een verkeerd ontwerp waardoor er onvoldoende plaats was voor ballast. Dus Zwedens nationale trots is eigenlijk een mislukt oorlogsschip.
Als het wat minder warm ga ik per fiets zomaar wat rondrijden. Fietsen is ideaal in dit soort steden. Het kost veel minder inspanning als al dat geslenter en je kunt in korte tijd veel zien. Bij het koninklijk slot is het een drukte van belang. Veel mensen staan ergens op te wachten. Politiebusjes hebben de weg geblokkeerd en op het water waakt een snel marinevaartuig met gewapende mariniers. In de lucht, behalve meeuwen en gele ballonnen, ook een politiehelikopter. Voor het paleis staat een stoet in parade-uniform gestoken ruiters te wachten. Vooraf gegaan door 4 herauten te paard zet de stoet zich in beweging. De koninklijke familie maakt een rondrit door de stad in twee open, door vier paarden getrokken rijtuigen. In de eerste zit koning Carl XVI Gustaf en koningin Sylvia. In het tweede rijtuig hun drie kinderen, kroonprinses Victoria, prinses Madaleine en prins Carl Philip. Het valt mij op dat de drie vrouwen allemaal dezelfde traditionele kleding dragen. Dus Maartje van Weegen zou over dit onderwerp snel uitgepraat raken. Als ik, nadat de stoet voorbij is, richting de boot rijd, maak ik kennelijk een afsnijding want daar komt de stoet ook weer langs. Het volk maakt ‘n blije, nieuwsgierige maar niet overenthousiaste indruk. Maar misschien is dat net zoals bij ons tukkers, wanneer iemand ons enthousiast vraagt, "En? Hoe was het?". En het antwoord is, "’T gung wel" dan betekent dat, dat wij dolenthousiast zijn.

6.6.07

Via de scheren naar Stockholm








Er was eens een befaamde Nederlandse wedstrijdzeiler, hij had ook meegedaan had aan de Volvo Ocean race, die werd uitgenodigd om in Zweden te gaan varen. Toen hij de zeekaart zag, vroeg hij ontzet: ‘Wat zijn al die stipjes op de kaart?”. “Dat zijn eilanden en rotsen”, was het antwoord. “Oh nee”, zie hij, “Ik ga niet tussen rotsen varen!”. En hij vertrok naar Nederland. Dit verhaal werd met veel pret verteld door de Zweed die ik op Farö ontmoette.

Nou, deze jongen gaat wel tussen rotsen varen! Vandaag ga ik naar Södertälje. Om er te komen moet je een goed betonde route tussen de scheren varen. De scheren is een verzamelnaam voor de duizenden eilandjes, rotsen en blinde klippen, niet te verwarren met blinde kippen die zitten meestal aan boord, die de voorste linies van de grote delen van de Zweedse kust vormen. Het is een feest voor het oog om hier te varen. Wat een variatie in landschap. Kale rotseilandjes, maar wel vaak gekleurd door allerlei korstmossen. Eilanden met bossen en zomerhuizen met grote veranda’s. Idyllische plekjes te over, dat is het voordeel van een dun bevolkt land. Hele grote eilanden met wegen en dorpen en kleine eilanden, verbonden met de vaste wal door een veerboot. Kleine haventjes en privé steigertjes. Vuurtorentjes en andere bakens. Dit zijn de ingrediënten voor een telkens weer andere variatie die je oog hier voorgeschoteld krijgt.

Door deze mêlee zoek ik mijn weg naar Södertälje. In de, soms smalle doorgangen, wordt gevist vanuit kleine bootjes of van af de wal. Kennelijk zit daar juist veel vis. Ik zie mensen soms 5 of 6 spartelende zilverkleurige vissen tegelijk het water uit takelen. Het valt mij op dat vissers helemaal in de flow zijn, zij hebben geen oog meer voor hun omgeving. Dit is een paradijs voor vissers, kanoërs, roeiers, zeilers en ik moet toegeven, zij het met enige tegenzin, ook voor motorbootvaarders. Die laatste categorie is hier goed vertegenwoordigd. Ze schijnen maar twee standen van de gashandel te kennen, uit of volgas. Al met al vormt deze scherengaard een fantastisch gevarieerd en beschut vaarwater. Södertälje heeft een kanaal dat de Mälaren, een groot binnenwater, met de Oostzee verbindt. Morgen hoop ik via dat zoetwatermeer Stockholm te bereiken.

Als ik het havengeld voldoe, vraagt het meisje aan de kassa waar ik vandaan kom. “I am from Holland”, zeg ik. “Ik spreek ook een beetje Nederlands” zegt ze in vlekkeloos Nederlands. Haar vader blijkt een Nederlander te wezen. Een leuk welkom.
In Södertälje lig ik opeens weer in de herrie, ik was het volledig ontwend. Een hoge brug met een snelweg, een treinstation, af en aan rijdend bussen en plaatselijk verkeer zorgen voor een constante achtergrond van geluid. Dat is een voorproefje van Stockholm.

Om 8.30 kan ik door de sluis. Dan zit ik in het kanaal van Södertälje naar de Mälaren. Ik moet wachten omdat er een groot schip aankomt. Het is hier tamelijk smal. Het wordt een warme dag. Geen wolkje te bekennen en een zacht windje. Het wordt een ontspannen tocht door mooie fjorden en langs nog meer prachtige zomerhuizen en buitenverblijven. Dan doemt Stockholm op. Grote hoge bruggen, hoogbouw en verkeerslawaai. Er zijn een paar bruggen die open moeten voor mij. Maar het loopt heel voorspoedig en net voor de sluiting vanwege de spits neem ik de laatste brug en kan ik afmeren in de Wasahaven hartje stad naast het Wasamuseum.
De stad is in zomerstemming. Overal mensen op de gazons te luieren en te zonnen. De terrassen zijn overvol. Vanuit het pretpark Tivoli klinkt het gegil van mensen in de achtbanen of die een vrije val langs een van de torens maken. Jongelui die hun examens gehaald hebben, huren een open vrachtauto, hangen er een groot spandoek aan, installeren een giga geluidsinstallatie en rijden al feesten en zingend de stad rond. Sirenes van politieauto’s, drukte op het water, drukte op de weg, veel wandelaars langs het waterfront. Ik moet even wennen aan deze dynamiek. Proost met een schippersbitter op Nico en Tineke, ik heb Stockholm gehaald!!

De oversteek



Het is zondagochtend 5 uur. De laatste feestgangers zijn naar huis. Er drijven een paar lege bierblikjes in de haven. De stad is eindelijk tot rust gekomen en koestert zich in het strijklicht van de ochtend. Vrijwel geluidloos vaar ik de haven uit. Twee vroege vissers zoeken een weg naar hun favoriete stek over de willekeurig uitgestrooide blokken graniet die de havenpier vormen. De grote witte veerboten, “Destination Gotland” liggen bewegingloos langs de kade.
Een cruiseschip nadert langzaam de slapende stad.

Om half tien passeer ik de 58e breedtegraad, Gotland is niet meer dan lichtblauwe potloodstreep op de horizon. De komende uren zal ik alleen nog maar zee zien. Tijd om het even over Linnaeus te hebben. Dit jaar wordt herdacht dat deze eminente wetenschapper 300 jaar gelden werd geboren. In Zweden zijn tal van activiteiten opgezet in de vorm van lezingen, tentoonstellingen, boeken, brochures en routes die hij op zijn onderzoekstochten door het Zweedse land gevolgd heeft. Hier op Gotland is er veel belangstelling voor. Linnaeus is zijn Latijnse naam, in Zweden spreken ze van Linné terwijl hij geboren is als Carl Nilsson. Ook in ons land is hij geweest om er een doctorstitel te behalen aan de universiteit van Harderwijk, dat kon toen nog niet in Zweden. Nou niet lachen Klokhuis-kijkers, omdat Aart Staartjes altijd een professor van de universiteit van Harderwijk speelt, maar de universiteit heeft echt bestaan en had in die tijd zelfs enige Europese faam. De academie is later door Napoleon opgeheven. Na zijn promotie, die binnen een week plaatsvond, is hij nog drie jaar in ons land gebleven om boeken te schrijven, onderzoek te doen en reizen te maken. De meeste herbariumbladen van hem uit die tijd zijn te vinden in het British Museum in Londen. De Linnaeus hof en het Linnaeusklokje herinneren nog aan hem.

Na zijn rondreis over Gotland vertrok Linnaeus ‘s morgens vroeg om half zes met een zeilboot uit Visby. Hij schrijft daarover in zijn dagboek: ‘Wij zeilden de haven uit door een hevige branding. Visby en onze vrienden zijn verdwenen. Het schip werd heen en weer geslingerd tussen de brullende golven. Gotland verdween uit zicht. Het want begon te scheuren. Onze harten waren vervuld van wanhoop. We gaven ons lot in Gods hand. De zeelui klommen in de mast en zagen zowel Gotland als Öland. Het grote zeil werd gereefd. De fok alleen was voldoende. Öland kwam in zicht. De storm nam af. Het schip ankerde in Böda, wij prezen God dat hij ons van het gevaar had gered”.

Gelukkig zijn de omstandigheden waarin ik verkeer heel wat beter. Met een NO wind 4 Bft is mijn bestemming voor vandaag, Ankarudden op Torsö, net bezeild. Twee keer zie ik een andere zeilboot die richting Gotland vaart. Tussen de middag bak ik eieren met spek. Dat valt niet mee op een schip dat op een oor ligt en voortdurend op en neer beweegt. Maar het fornuis is half-cardanisch opgehangen zodat de pan recht op het vuur blijft staan. Dankzij de gunstige wind bereik ik om half zes al de eerste scheren. Dan wordt het uitkijken geblazen want die rotsen geven geen millimeter mee als je ze raakt. Maar het is goed betond. Als ik een motorboot wik passeren waarop ze met een aantal hengels achterop aan het vissen zijn, gebaren ze dat ik nog verder aan bakboord voorbij moet lopen. Blijken ze aan beide zijden aan twee van die hengels een soort bootje te zitten waardoor ze wel 30 meter ruimte in de breedte beslag nemen. Vraag me niet hoe en waarom ze zo te werk gaan. Ankarudden is een haventje en een verzameling huisje en een restaurantje dat subliem aan het water ligt. Als er geen motorboot vaart is het ongelofelijk stil.

Kerken, raukar en een kalkgroeve







De grauwheid van de afgelopen dagen is verdwenen. De lucht is weer helder en er waait een stevige NO wind. Ik huur voor een paar grijpstuivers een auto bij de havenmeester, voordeel van voorseizoen. Ik ga het noordelijke deel van Gotland verkennen en vooral ook het eiland Farö. Over stille wegen rijd ik door bossen, afgewisseld door open landschappen met jeneverbesstruiken en bloemrijke weiden. Je ruikt de dennengeur en af en toe kamperfoelie. Bij bewoning ook seringen die hier overal uitbundig bloeien. Roodbruin geschilderde huizen, boerenhoeves of vakantiehuizen in vrolijke kleuren glijden voorbij.

Overal staan oude kerken. Ze zijn allemaal tussen 1100 en 1350 gebouwd. Daarna is er 600 jaar geen kerk meer gebouwd. Dat zegt iets!! Pas in 1960 is er voor het eerst weer een nieuwe kerk gebouwd. De kerken zijn zeer karakteristiek van vorm en de meesten zijn nog steeds in gebruik. Vaak hangt er een zeilscheepje in de kerk om de behouden terugkeer van de mannen die naar zee zijn, af te smeken. Veel originele muurschilderingen zijn nog intact. Dat geldt ook voor doopvonten en altaren. De preekstoel dateert van na de Reformatie toen het woord belangrijker werd dan het ritueel. Vaak zie je wel beelden. Kennelijk heeft de beeldenstorm hier niet zo gewoed als in de Lage Landen. In de Sankta Maria kathedraal in Visby is een Maria-altaar. Je kunt er zelfs een kaarsje opsteken. Meestal, dus ook nu, doe ik dat als eerbetoon aan mijn moeder, die heilig in de voorspraak van maagd geloofde.

Bij Farösund maak ik met de pont de oversteek naar Farö. Een 10-tal jaren geleden was dit eiland nog verboden voor buitenlanders, in verband met de prominente aanwezigheid van het leger. Op de rotsige kust staan op een aantal plaatsen raukar. Dat zijn grillig gevormde rotsen die de invloeden van weer, wind en zee beter weerstaan hebben dan hun omgeving waardoor ze nu nog fier overeind staan als vreemde wachters. Kraanvogels, op weg naar de drassige toendra’s van in het noorden, komen met moeite vooruit tegen de harde NO wind.

Op een met stapelmuurtjes omgeven terras raak ik in gesprek met een Zweeds stel die zelf ook zeilen. Leuk om wat wederwaardigheden uit te wisselen. Het café evenals de bediening is authentiek Gotlands. Het in de steenoven gebakken brood met kaas en salami en de rabarbertaart met vanillesaus, smaken heerlijk. Ik had ook nog een praatje met een oudere mevrouw die veel kon vertellen over Linnaeus en over Farö. Van haar kwam ik te weten dat Ingmar Bergman nog steeds op het eiland woont en waar hij woont. Even op visite zat er echter niet in. Ook de weduwe van Olaf Palme heeft hier haar huis.

Terug op Gotland rij ik naar een vergeten uithoek, het schiereiland Furillen. Daar is het design hotel Fabriken Furillen gevestigd in de opstallen van de verlaten kalkgroeve. Zowel het hotel als de omgeving zijn zeer bijzonder. De oude schachttoren, de kale afvalbergen en de pier in zee met kraan brengen een merkwaardige doch aangename rust met zich mee. Ik breng al schrijvende een ontspannen uurtje op het terras door. De eigenaar is blij met het compliment wat ik maak over het geheel. Hij komt meteen met twee fotoboeken aanzetten waarin foto’s staan van hoe het hier ’s winter is als er sneeuw ligt, prachtig. Binnen is het uiterst strakke moderne interieur met smaak gecombineerd met kettingtakels en stalen balken. Wat is schoonheid toch een helende ervaring.